De B.B. was geen militaire organisatie, maar een organisatie van burgers om de bevolking hulp te verlenen. Op het hoogtepunt van de organisatie waren 165.000 mensen betrokken bij de activiteiten van de B.B. De organisatie is opgeheven als gevolg van de reorganisatie van de rampenbestrijding. De taken zijn overgedragen aan o.a. de Brandweer en het Rode Kruis. Na het opheffen van de B.B. in 1986 is de organisatie snel ontmanteld.
Na de Tweede Wereldoorlog kwam de Koude Oorlog, waarin later de vrees voor de atoombom een rol speelde. Om het hoofd te kunnen bieden aan de gevolgen voor de burgerbevolking werd een organisatie in het leven geroepen, die een uitgebreidere taak kreeg dan de Luchtbeschermingsdiensten van de Tweede Wereldoorlog.
De lessen uit de oorlog werden meegenomen bij het ontwerp van de nieuwe burgerlijke verdediging. In de rubriek over de Tweede Wereldoorlog zijn ook enkele rapportages opgenomen, die medebepalend waren in de voorbereidingsfase.
In de jaren zeventig en tachtig werd de hulpverlening bij grote rampen en ongevallen regelmatig onderwerp van nota’s en zelfs nieuwe wetgeving. Meer daarover vindt u in de rubriek Brandweerorganisatie.
In een leidraad ontvouwde de minister van Binnenlandse Zaken in 1949 zijn plannen voor de opbouw van de beschermingsorganisatie. Een jaar later kwam er nog een toelichting, waarin de zaken concreter werden ingevuld.
De nieuwe organisatie, Bescherming Bevolking geheten, moest niet alleen zorgen voor de bestrijding van de mogelijke oorlogsrampen, maar ook een rol spelen bij de instandhouding van het gewone leven. Civiele Verdediging werd dat genoemd.
Historische documenten:
- 1949 – Leidraad voor de opbouw van een burgerlijke organisatie tot bescherming van de bevolking tegen luchtaanvallen
- 1950 – Toelichting op de Leidraad voor de opbouw van een burgerlijke organisatie tot bescherming van de bevolking tegen luchtaanvallen
- 1951 – B.B.-Leidraad inzake de opzet en de organisatie van de zelfbescherming en bedrijfs(zelf)bescherming
- 1952 – Doel en opzet van de organisatie Bescherming Bevolking
Wet Bescherming Bevolking (1952)
Na de planning en voorbereiding volgde de wetgeving. In 1952 werd een serie wetten tot stand gebracht, waarin de Bescherming Bevolking en het personeel een wettelijke basis kregen. Net als bij de luchtbescherming werd Nederland voor de B.B. ook verdeeld in A- en B- gebieden. Waar de grootste risico’s waren, werden de meeste voorzorgen vereist. Hieronder vindt u de wetgeving, zoals die in 1952 van kracht werd.
Richtlijnen bescherming gebouwen Amsterdam (1954)
In de oprichtingsfase van de B.B. wendden vele bedrijven en instellingen zich tot de Amsterdamse brandweer, die al heel lang een grote faam als deskundige had, terwijl de BB-organisatie zich nog moest bewijzen. Om aan de vragen enigszins tegemoet te komen, werden door de commandant van der brandweer richtlijnen over de bescherming van gebouwen tegen luchtaanvallen opgesteld, gebaseerd op zijn ervaringen in de oorlog.
Historische documenten:
Inzet bij vredesrampen (1955)
Al vrij snel na de start van de opbouw van de organisatie werd Nederland geconfronteerd met een nationale ramp. Het besef dat een verdedigingsorganisatie tegen oorlogsrampen ook voor vredesrampen inzetbaar moest kunnen zijn, uitte zich in 1955 door circulaires, waarin het Rijk aangaf dat de BB-organisatie zich ook op vredesrampen (waarbij men duidelijk alleen nog aan watersnood dacht) moest voorbereiden. Een jaar later werd ook gesuggereerd dat de inschakeling van particuliere organisaties bij de hulpverlening onontbeerlijk was. Hieronder vindt u de betreffende circulaires.
Brandweer en Bescherming Bevolking (1957)
In 1955 verscheen de eerste landelijke leerstof op brandweergebied in Nederland. Deze was samengesteld in het kader (maar vooral op kosten) van de Bescherming Bevolking. In 1957 werd de leerstof herdrukt en aangevuld met een speciale Leidraad voor het optreden van de brandweer in het kader van de B.B. Daarin werd gedetailleerd uit de doeken gedaan hoe de brandweer zich moest organiseren in oorlogstijd en grote complexbranden geblust moesten worden.
Bedrijfszelfbescherming (1958)
Met de ervaringen van de 2e Wereldoorlog in het achterhoofd werd tijdens de opbouw van de BB-organisatie ook aandacht geschonken aan de zelfbescherming bij bedrijven. De grondslag daarvoor werd het Besluit Bedrijfszelfbescherming, dat de B.B. zelf overleefde en tot aan de Arbeidsomstandighedenwet in werking bleef.
Georganiseerde Zelfbescherming in Amsterdam (1959-1966)
De oorspronkelijke opzet van de georganiseerde zelfbescherming op wijk- en blokniveau ging al in 1959 op de helling, omdat er niet voldoende vrijwilligers beschikbaar kwamen en omdat de gevolgen van het gebruik van nucleaire wapens tegen de bevolking onder ogen gezien moesten worden. De Amsterdamse B.B. was een gemeentelijke dienst geworden en kon daardoor slagvaardig inspelen op nieuwe ontwikkelingen, omdat maar met één gemeentebestuur rekening hoefde te worden gehouden. Hieronder volgen een aantal documenten uit Amsterdam over de georganiseerde zelfbescherming, inclusief een hele schriftelijke cursus voor de blokwachters.
Individuele zelfbescherming – de ‘wenken’ (1961)
Eén van de pijlers van de Bescherming Bevolking was het vermogen van de burger om zichzelf zoveel mogelijk te beschermen. ‘Zelfredzaamheid’ zouden we dat tegenwoordig noemen. Daartoe werd in 1961 op grote schaal voorlichtingsmateriaal verspreid, waarmee de burgers zelf maatregelen konden treffen. Dit voorlichtingsmateriaal werd bekend onder de naam ‘Wenken voor de bescherming van uw gezin en uzelf’.
Geschiedenis van de burgerlijke verdediging in Amsterdam (1972)
In 1972 stelde de Amsterdamse BB ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan een brochure samen over de geschiedenis van de burgerlijke verdediging in Amsterdam.
Nota’s Civiele verdediging (1972-1974)
In 1972 en 1974 werd door de regering het beleid inzake de Civiele Verdediging voor de volgende jaren vastgelegd. De nota van 1972 heeft vooral een inventariserend karakter. Vastgelegd werd wat er al was gedaan en wat er zou moeten gebeuren. In die van 1974 werd duidelijk beleid voorbereid. Daarbij werd nog uitgegaan van de noodzaak van het voortbestaan van de Bescherming Bevolking, maar ook van een ruimere inzetmogelijkheid bij vredesrampen. De nota’s Civiele Verdediging van 1972 en 1974 zijn hieronder opgenomen.
Taken van de Organisatie Bescherming Bevolking in vredes- en oorlogstijd (1979)
In een kamerbrief van 26 september 1979 beschreef minister Wiegel van Binnenlandse Zaken nog uitgebreid de hulpverlening die hem voor ogen stond, waarbij de B.B. een belangrijke rol speelde. Compleet met organigrammen van noodwachtcolonnes of commando’s.
Begin van het einde van de B.B. (1980)
In 1980 verraste de minister van Binnenlandse Zaken vriend en vijand met de aankondiging dat de organisatie B.B. zou worden opgeheven en de taken voor zowel oorlogs- als vredesrampen overgingen naar de Regionale Brandweer, de geneeskundige diensten, het Rode Kruis en het Korps Mobiele Colonnes.
Hieronder vindt u de verrassende kamerbrief van 14 mei 1980 en de brieven van april en december 1981, waarin de minister zijn plannen en ideeën uiteenzet.
Nieuwe rampenwet (1981-1985)
Voor de reorganisatie van de rampenbestrijding was een nieuwe wetgeving nodig op dat gebied. Spoedheidshalve werd in 1981 eerst de Wet rampenplannen er door heen gejaagd, omdat naar aanleiding van enkele industriële ongevallen de noodzaak daarvan was aangetoond. De Wet rampenplannen werd ingetrokken bij de inwerkingtreding van de nieuwe Rampenwet. Hieronder vindt u enkele documenten uit de wetgevingshistorie.
De nieuwe Rampenwet doorliep het proces parallel met het wetsontwerp voor de Brandweerwet. Daar kwam veel discussie over, zodat het nogal lang duurde voordat de wet er ook werkelijk was. Zie verder de rubriek brandweerorganisatie.
Nota Civiele verdediging (1984)
In 1984, midden in de reorganisatie van de rampenbestrijding, kwam de regering met de langetermijnvisie op de civiele verdediging, waarbij als uitgangspunt werd genomen dat niet alleen moest worden voorbereid op oorlogssituaties, maar ook op andere internationale spanningen en de voorbereiding daarop. Daarvoor – en in verband met de opheffing van de B.B. – was een andere benadering van de civiele verdediging nodig.
Wat zijn Schuilgelegenheden?
De mensheid zoekt bij bedreigingen van oudsher natuurlijke schuilplaatsen op. Later verrijzen versterkte gebouwen om beschutting te bieden bij rampen en oorlogen. Op dit eeuwenoude thema wordt tijdens en na de Tweede Wereldoorlog verder gegaan. Naast schuilgelegenheden voor de bevolking zijn er natuurlijk ook bunkers en commandoposten gebouwd voor het bestuur en defensie. Een voorbeeld hiervan zijn de BB-commandoposten in Rijswijk en Grou, nu onderdeel van het MBB.
Vóór en tijdens de Duitse bezetting zijn er veel schuilgelegenheden in Nederland gebouwd. Uiteindelijk is hierbij ook weer een eenvoudige bouweis terug te vinden, namelijk een afdoende bescherming voor een korte periode. Langer dan enkele uren verbleef men meestal niet in deze schuilgelegenheden.
De atoomdreiging heeft ook op gebied van schuilen het nodige teweeg gebracht en de bouw van schuilgelegenheden beïnvloed. Daarbij wordt er vanuit gegaan dat het verblijf in een schuilgelegenheid beduidend langer zal zijn, van enige dagen tot en week. Door de ongrijpbare radioactieve stof en -straling zijn diverse extra technische aanpassingen ontwikkeld.
Het uitgangspunt van het schuilgelegenheidbeleid is dat de bevolking in tijden van oorlog of ander gevaar haar bescherming in of in de directe omgeving van de eigen woning moet kunnen vinden. Hierbij wordt de aloude gedachte gehandhaafd, dat openbare schuilgelegenheden alleen daar moeten zijn waar grote groepen burgers op straat verblijven.
Openbare Schuilplaatsen (1950-1990)
In de periode van 1950 – 1990 is uiteindelijk voor slechts 320.000 burgers een plaats gecreëerd in openbare schuilgelegenheden. Veel beschermde onderkomens bevinden zich in kelders van grote gebouwen. Deze vallen in het niet naast de bouwkundige oplossingen van de metrostations in Rotterdam en Amsterdam. De metrostations hebben een dubbelfunctie; doorvoer van de metroreiziger en schuilgelegenheid voor grotere groepen burgers (5000 10000) in een atoombestendige, gasdichte omgeving. De vele specifieke oplossingen van gasdeuren, sluizen, sanitair en luchtbehandeling dwingen respect af. Voorbeelden zijn de Noordertunnel in Utrecht, het metrostation Wibaut in Amsterdam en metrostation Dijkzigt te Rotterdam (5000 pers).
Minder complex maar ook voorzien van diverse ingenieuze oplossingen zijn in Nederland diverse parkeergarages met een dubbelfunctie. Belangrijke voorbeelden zijn de parkeergarage “De Brinkhof” te Apeldoorn (7000 pers.) en de parkeergarage in Middelburg. Bijzonder is ook het teruggrijpen naar eeuwenoude locaties die al vele malen gebruikt zijn als schuilgelegenheid. Limburg heeft op dit gebied twee markante voorbeelden. Maastricht beschikt over kazematten, een kilometerlang stelsel van tunnels onder de stad waarin een fall-out schuilgelegenheid is aangebracht Daarnaast bieden mergelgangen reeds eeuwen bescherming aan de burgers. In de mergelgangen van Valkenburg is een volwaardige fall-out schuilgelegenheid ingericht voor 2500 personen.
Schuilgelegenheden begin de jaren 50
De jaren vijftig worden plannen gemaakt door de overheid voor de bouw van schuilgelegenheden voor 100.000 personen. De gedachte is om gebruik te maken van kelders van bestaande gebouwen. Waar nodig dienen nieuwe schuilgelegenheden gebouwd te worden.
Een budget van vijf miljoen gulden wordt beschikbaar gesteld voor deze nieuwbouw. Vrij snel blijkt het budget niet toereikend en wordt minder nieuw gebouwd dan verwacht.
Op den duur wordt een andere manier van bouwen gevonden In de zogenaamde ‘combinatiebouw’. Door extra voorzieningen aan te brengen bij nieuwbouw kan deze tevens dienen als schuilgelegenheid. Op deze wijze hoopt men voordeliger uit te zijn. Diverse parkeergarages, metrostations en kelders worden op dergelijke wijze aangepast.
De oplevering van de geplande schuilgelegenheden loopt echter behoorlijke vertraging op door het wachten op de bouw van geschikte bouwwerken en de inpassing van de extra voorzieningen. Van de voorgenomen 576 schuilgelegenheden zijn er aan het einde van de Jaren vijftig niet meer dan een circa honderd gerealiseerd. Tussen 1950 en 1970 is “slechts” zeventien miljoen gulden aan het schuilgelegenheidbeleid uitgegeven.
Het aantal beschikbare plaatsen ligt rond 1970 amper boven de 100.000. De verdeling over Nederland is niet gelijkmatig, in Amsterdam kunnen 12.000 mensen schuilen in één van de vele schuilgelegenheden in de stad. De provincie Zeeland heeft 150 schuilplaatsen, terwijl Drenthe geen enkele heeft. Rotterdam met haar, nog te bouwen, metrostations komt nog het beste uit de bus met ongeveer 65.000 beschikbare plaatsen. Ondanks dat de bouw van schuilgelegenheden met moeite van de grond komt blijft de regering de noodzaak van het schuilgelegenheidbeleid ondersteunen. Het blijft onderdeel van de begroting en jaarlijks wordt budget beschikbaar gesteld voor het schuilgelegenheidbeleid.
Schuilplaatsen bij bouw van woningen (1955)
Naast de taak van de overheid bij de bouw van schuilkelders komen er ook richtlijnen en wetten voor nieuwbouw. In 1955 wordt het Koninklijk Besluit “Schuilplaatsen bij bouw van woningen’ van kracht. Deze Wet bepaald dat binnen de gemeentelijke bouwverordeningen bepalingen en voorschriften moeten worden opgenomen voor het bouwen van gebouwen met twee of meer woningen. Plaats en grootte van een schuilgelegenheid binnen het gebouw worden daarin bepaald. De voorschriften gaan over het aantal en de plaats van nooduitgangen, over de dikte en samenstelling van de muren, over draagvloeren, bordessen en de afdekking van de bovenste bouwlaag.
Het schuilgelegenheidbeleid wordt ingehaald door de ontwikkelingen. De militaire veronderstelling geeft een indicatie al dat de bombardementen frequenter en zwaarder gaan worden. Het verblijf in de schuilgelegenheid zal langer duren en de effecten van een aanval verstrekkend. De groei van de bevolking neemt explosief toe en de mobiliteit van de bevolking groeit navenant Hierdoor dient het aantal beschikbare schuilplaatsen drastisch te worden bijgesteld.
De organisatie Bescherming Bevolking verantwoordelijk voor o.a. de individuele zelfbescherming, prefereert een goede beschermingsmogelijkheid in eigen omgeving boven de vele openbare schuilgelegenheden. De B.B. geeft adviezen waarbij voornamelijk wordt gekeken naar bouwkundige voorzieningen en de mogelijkheden om het belangrijkste schadelijke gevolg van een stoomexplosie, de fall-out, besmetting, buiten te houden.
In het Koninklijke Besluit worden eengezinswoningen niet genoemd. De bewoners moeten zich zelf zien te redden, meestal binnenshuis. Sommigen besluiten in de tuin een eigen schuilkelder te bouwen. In de gemeente Dwingeloo wordt door een particulier een volwaardige schuilkelder voor 4 personen in de tuin gebouwd. Andere particulieren laten bij de nieuwbouw van hun woning een schuilkelder in het ontwerp opnemen. In de gemeente Roosendaal is onder twee bungalows op eigen kosten een technisch volwaardige schuilgelegenheden gebouwd.
De organisatie B.B. geeft echter wel voorlichting over de wijze waarop in een eengezinswoning een zekere bescherming is te realiseren. In diverse gemeenten in Nederland worden modelwoningen ingericht waar de bevolking kan zien hoe men met eenvoudige middelen een schuilgelegenheid in eigen huis kan inrichten. Meestal is de kelder hiervoor de aangewezen plaats.
Wanneer geen kelder aanwezig is. wordt vaak de keuken geschikt geacht om als schuilgelegenheid te dienen. Hiervoor moeten wel enige handelingen verricht worden:
- Boven de keuken dient een 20 om. dikke zandlaag aangebracht te worden.
- Tegen de buitenmuur dienen zandzakken gestapeld te worden ter dikte van 50 om. en in de gang moet d.m.v. zandzakken een sluis gecreëerd worden.
- Met board dienen de ramen afgedekt te worden.
- Kieren van ramen en deuren worden met plakband of dichtingpasta afgesloten.
- Verder dienen in deze ruimte matrassen. dekens. noodtoìlet. noodverlichting, voedsel en water aanwezig te zijn.
Door modelwoningen te bezoeken kan de bevolking wennen aan dit idee en voorlichting krijgen van de organisatie B.B. over nut en mogelijkheden.
Deze woningen zijn o.a. opgezet in: Kollum, Hedel en Zevenhuizen. In Utrecht wordt zelfs een flatwoning ingericht als modelwoning.
Prefab Schuilplaatsen (begin jaren 60)
De commercie stort zich begin zestigerjaren op de levering van complete particuliere schuilplaatsen. Diverse uitvoeringen van bovengrondse en ondergrondse modellen worden aangeboden. De firma Inter Scaldis uit Goes levert de “R.A.N. 0.8”, een betonnen buisconstructie met een luchtsluis, watertank, chemisch toilet en ruimte voor 8 personen. Voor de luchtbehandeling is een zandfilter met een membraampomp aanwezig. Dit model dient ingegraven te worden, maar niet iedereen beschikt over zo’n grote tuin.
Andere ontwerpen hebben een dubbele functie. Na het ingraven kan het bovenste gedeelte van de schuilkelder benut worden als zwembad. Simpelere ontwerpen zouden met behulp van een eenvoudige golfplaat enige bescherming moeten kunnen bieden.
Structuur van de B.B.
De organisatie Bescherming Bevolking was gedurende haar bestaan per periode verschillend ingedeeld. Wij geven hier de situatie aan vanaf 1961 met 33A-Kringen, 17-B-Kringen en de A-gemeente Amsterdam, zoals deze tot de opheffing van de B.B. in 1987 de situatie was. Bij de diverse locaties staan aanvullingen die betrekking hebben op wat nadien is gebeurt en of dit moment de situatie weergeven
Nationale Commandopost Bescherming Bevolking (NCBB)
Fort lunet 1 Koningsweg 256 Utrecht
Provinciale Commandopost Bescherming Bevolking (PCBB):
Noord-Holland Schoonzichtlaan 8 Haarlem
Zuid-Holland (tevens PCCV) Boerhaveweg Noordwijk (gesloopt 2006)
Zeeland (tevens PCCV) Looierssingel Middelburg (depot SCEZ)
Noord-Brabant (tevens PCCV) Guido Gazellelaan 70 Den Bosch (OO&V)
Limburg (tevens PCCV) Fort Willem Maastricht
Groningen “be-quick” terrein Haren (schietbaan)
Friesland (tevens K-CoP+PCCV+GCCV) Burstumerdyk 1 Grou (deels intact)
Drenthe (tevens PCCV) Brunelstraat 4 Assen (volledig leeg)
Overijssel Noorderbergstraat 30 Holten
Gelderland (tevens PCCV) Oranjeweg 6 Oosterbeek (depot)
Utrecht (tevens PCCV) Nieuweweg 2 Willeskop (depot)
Kring Commandoposten, Tweede bouwperiode 1961 – 1970:
Groningen-c Takenslaan 3 Appingedam
Groningen-d Raadhuisplein 5 Veendam
Groningen-west Kastanjelaan 2 Groningen
Friesland-a Oude Dijk 17 Sneek (nagenoeg leeg)
Friesland-b Van Limburg Stirumweg 8 Oranjewoud (nagenoeg leeg)
Friesland-c Burstumerdyk 1 Grou (tevens PCBB+PCCV+GCCV) (Museum MBB)
Drente-a Dr. Nassaulaan 9 Assen
Drente-b van Schaikweg 6 Emmen
Drente-c Raadhuisplein 1 Hoogeveen
Overijssel-a Ridderspoorstraat 7 Dedemsvaart
Overijssel-b Westdorplaan 227 Raalte
Overijssel-c Almelosestraat 11 Deldenerbroek
Gelderland-a Julianalaan 43 Harderwijk
Gelderland-b Seringenlaan 21 Apeldoorn
Gelderland-e Schelmseweg 93 Arnhem
Gelderland-f Watertorenweg 3 Berg en Dal
Gelderland-g Burg.v Lidt de Jeudelaan Tiel
Gelderland-Oost Lijsterbeslaan 42 Doetinchem
Utrecht-a Fort Nieuwersluis Nieuwersluis
Utrecht-b 24 Oktoberplein Utrecht (is gesloopt)
Utrecht-c Maarnse Voetpad 2 Doorn
Zeeland-a Fruitlaan Goes
Zeeland-c Tragelweg Oostburg
Noord-Brabant-a Guido Gezellelaan 70 Den Bosch
Noord-Brabant-b Engelse Tuin 1 Waalre
Noord-Brabant-c Dr. Ahausstraat 2 Tilburg
Noord-Brabant-d Doelen 11 Breda
Noord-Brabant-e Consciencelaan 1 Roosendaal 98
Limburg-a Beversbergweg 4 Gulpen
Limburg-b Koniginnelaan 71 b Roermond
Limburg-c Nijmeegsestraatweg 42 Venlo (volledig leeg )
Noord-Holland-a Provincialeweg 2 Schagen (dierenkliniek)
Noord-Holland-b Frans Halsstraat 49 Alkmaar
Noord-Holland-c Middel 4 Westzaan
Noord-Holland-d Zeeweg Bloemendaal
Noord-Holland-e Memlingstraat Amsterdam (depot filmmuseum)
Noord-Holland-f Manegelaan Hoofddorp
Noord-Holland-g Diependaalselaan Hilversum
Zuid-Holland-a Zoeterwoude ( ligt onder de A4)
Zuid-Holland-b park Overvoorde Rijswijk (Museum MBB)
Zuid-Holland-c naast begraafplaats Overschie (depot HBM)
Zuid-Holland-d Goejanverwelledijk 10 Gouda (Gemeente Gouda)
Zuid-Holland-e Bastion 10 Gorinchem
Zuid-Holland-f Nassauweg 2 Dordrecht (wordt gesloopt)
Zuid-Holland-g Zandweg/Duinoordseweg Oostvoorne (Stichting Museum Biberbunker)
Wat is Civiele Verdediging?
Civiele Verdediging (CV) is een geheel van niet-militaire maatregelen die gericht zijn op het voortzetten en in stand houden van de samenleving in geval van oorlog of omstandigheden die daarmee verband houden.
Misverstanden
Civiele Verdediging is een begrip dat aanleiding geeft tot hardnekkige misverstanden. Een voorbeeld: vele mensen denken dat het een militaire aangelegenheid is. Een onjuiste gedachte. Civiele verdediging – de naam zegt het eigenlijk al – is een zaak van en voor de burger, een werk met een duidelijk humanitair karakter.
Een ander misverstand: civiele verdediging is hetzelfde als de organisatie Bescherming Bevolking (B.B.). Echter de Bescherming Bevolking is een onderdeel – een zeer belangrijk onderdeel – van de civiele verdediging.
Moeilijk begrip
De taak van de civiele verdediging is – in tijd van vrede – het voorbereiden van een aantal maatregelen en voorzieningen, om er in benarde tijden gebruik van te maken. Doel daarvan: de instandhouding van de samenleving in zo’n moeilijke tijd. Die samenleving is buitengewoon ingewikkeld met al haar sociale, politieke en economische problemen. Daarom vraagt die instandhouding de voorbereiding van een serie omvangrijke maatregelen. En dat is juist zo moeilijk in ons land. Bij vele Nederlanders bestaat (een wel begrijpelijke) weerstand om hierover te praten en ook om erover na te denken. Wie wil in een tijd van vrede en welvaart stil staan bij het treffen van voorzieningen voor iets waarvan men hartgrondig hoopt dat het nooit zal gebeuren? En toch zullen die voorbereidingen getroffen moeten worden!
Regeringsbeleid 1979
Het beleid voor civiel verdediging is weergegeven in de nota Civiele Verdediging 1974. Hierin staat dat het noodzakelijk is blijvend aandacht te schenken aan de voorbereiding van de civiele verdediging. De nota geeft verder aan hoe de uitbouw van de civiele verdediging zal moeten geschieden. Een aantal projecten zal in de komende twintig jaar met voorrang moeten worden uitgevoerd. Enkele in de nota genoemde voorbeelden zijn: havenvoorzieningen, de aanschaf van uitrusting voor mobiele chirurgische teams, het bouwen van schuilgelegenheden en het aanschaffen van materiaal voor het blussen van branden, het redden van mensen en het verschaffen van geneeskundige hulp. De regering is van mening dat – ondanks het streven naar matiging van de rijksuitgaven – de mogelijkheid tot uitvoering van deze projecten, aangepast aan nieuwe inzichten, op een enigszins redelijk peil moet worden voortgezet.
Staf voor de Civiele Verdediging
Een afzonderlijke organisatie voor de civiele verdediging bestaat er niet in ons land. Alle overheidsorganen met elkaar, het bedrijfsleven en particuliere organisaties en instellingen zorgen voor de civiele verdedigingsvoorbereidingen. Daarbij hebben de rijksoverheden, de provincies, de gemeenten en het bedrijfsleven ieder een eigen taak. De coördinatie berust bij de minister van Binnenlandse Zaken. De werkzaamheden zijn opgedragen aan de Staf voor de Civiele Verdediging.
Overlevingskansen
Alle voorbereidingen die worden getroffen zijn nodig om de overlevingskansen – van ons allemaal – zo groot mogelijk te maken. Men moet er daarbij op bedacht zijn wat de burgerbevolking in buitengewone omstandigheden allemaal kan overkomen. Op grond van deze gedachtegang kan men prioriteiten stellen. We staan vrij machteloos als er op uitgebreide schaal nucleaire wapens worden gebruikt. Maar tegen bepaalde vormen van agressie kunnen we ons wél beschermen. En bij een oorlog die voornamelijk met conventionele wapens wordt gevoerd kan er op het gebied van de civiele verdediging wel degelijk veel gedaan worden.
Bij het treffen van civiele verdedigingsvoorbereidingen gaat men er van uit, dat elk maatschappelijk bestel beschikt over krachten, die ‘iets’ kunnen afweren of incasseren. Zoals de mens van nature beschikt over afweerkrachten tegen ziektekiemen, zo beschikt de maatschappij in het dagelijks leven over ‘natuurlijke’ middelen om ongemakken en rampen te bestrijden. Middelen zoals politie, brandweer, geneeskundige diensten en waterschappen, om zich te verweren tegen wanorde, misdaad, brand, ongevallen, wateroverlast en dergelijke. Bij calamiteiten in vredestijd wordt overigens vaak om materiële en personele steun gevraagd aan de krijgsmacht. Een organisatie die eveneens, maar in beperkte mate, bij calamiteiten in staat van paraatheid kan worden gebracht is de Bescherming Bevolking.
Bescherming Bevolking – B.B.
De B.B. wordt zonodig en indien mogelijk ook in vredestijd ingeschakeld bij ongevallen en rampen, als met de bestrijding ervan langere tijd gemoeid is. De B.B. bestaat namelijk in grote meerderheid uit personen die een normale functie in het maatschappelijk leven vervullen en slechts na mobilisatie beschikbaar zijn. De B.B. is een burgerlijke organisatie en staat onder bestuurlijke gezagsdragers, waaronder in eerste instantie de burgemeesters. De gemeenten in ons land zijn – met uitzondering van Amsterdam, Dordrecht en Texel – in onderlinge verbanden, Kringen genaamd, ondergebracht. Ons land telt thans drieënveertig kringen en drie zelfstandige gemeenten.
Zelfbescherming en schuilgelegenheden
Als er oorlogsgevaar dreigt zal de overheid aanwijzingen geven voor de individuele zelfbescherming, de manier dus waarop elke burger zichzelf het beste in eigen huis kan beschermen.
Het belangrijkste is natuurlijk de mogelijkheid tot schuilen. Sedert 1968 is bij nieuwbouw van etagewoningen hierin voorzien door in de onderbouw een schuilgelegenheid te bouwen. Zij, die geen bescherming in of nabij hun woning kunnen vinden, zijn aangewezen op openbare schuilgelegenheden. In een aantal grote bouwwerken, zoals parkeergarages en metrostations, zijn extra schuilvoorzieningen getroffen. Ook andere grote gebouwen kunnen daarvoor geschikt worden gemaakt.
Bij calamiteiten in oorlogstijd, moet de BZB (bedrijfszelfbescherming) voorzieningen treffen voor de bescherming van het aanwezige personeel. Onder de werknemers van het bedrijf worden daartoe vrijwilligers geworven. Zij vormen dan één of meer ploegen voor brandbestrijding, redding en eerste hulp, na daarvoor opgeleid en door oefening op hun taak voorbereid te zijn.
Vervoer te land, ter zee en in de lucht
In oorlogsomstandigheden zal het vervoer te land, ter zee en in de lucht zo goed mogelijk in stand worden gehouden. De beschikbare vervoermiddelen moeten zo doelmatig mogelijk gebruikt worden. De treinen zullen zo lang mogelijk moeten blijven rijden.
Grote voorraden noodzakelijke herstelmaterialen zijn gevormd en verspreid opgeslagen, evenals een aantal mobile noodaggregaten.
Onze zeehavens zijn uiteraard kwetsbaar. Indien nodig zullen er noodankerplaatsen worden ingericht. De voorbereidingen die door de zeescheepvaart zijn gemaakt, dragen een internationaal karakter. Er komt dan een gemeenschappelijke ‘pool’ van het grootste gedeelte van de nationale koopvaardijvloten van de NAVO-landen.
Water: vriend en vijand
Het water is altijd zowel onze vriend als vijand geweest. Rijkswaterstaat zorgt onder normale omstandigheden dat de Nederlandse bevolking beschermd wordt tegen het water.
De civiele verdedigingsvoorbereiding in deze sector richt zich op die dreigingen, waar de normale waterstaatzorg niet in voorziet. Daarom zijn er reeds in vredestijd maatregelen getroffen om de gevolgen te voorkomen, te beperken en te bestrijden, die ontstaan kunnen na beschadiging en belemmeringen in het gebruik van waterstaatwerken door oorlogshandelingen.
Goederen- en energievoorziening
Ons land is voor zijn goederenvoorziening voor en groot deel afhankelijk van de aanvoer van grondstoffen van overzee. Als die aanvoer geheel of gedeeltelijk stagneert, zullen er maatregelen moeten worden getroffen om het verbruik van grondstoffen aan banden te leggen. Die beperkingen zullen niet alleen betrekking hebben op het verbruik van producten, maar ook op het energieverbruik.
Dit betekent: distributiemaatregelen.
Voor de verdeling van grondstoffen, halffabrikaten en eindproducten voor de industrie, handel en eindverbruikers zullen rijksbureaus worden opgericht.
Voedselproductie en voedselvoorziening
Ook in benarde tijden zal ons land een voldoende voedselproductie proberen te handhaven. Dat vereist dan vele maatregelen, ook in internationaal verband.
Voorzieningen voor rampsituaties zijn er ook: noodvoorraden biscuits en zuigelingenvoedsel en noodkeukens voor de bereiding van warme maaltijden zijn beschikbaar. Voor een billijke verdeling van consumentengoederen over de bevolking zullen distributiekantoren onder leiding van een Centraal Rantsoenerings Bureau gaan functioneren.
Gezondheidszorg
Helaas zal er onder oorlogsomstandigheden rekening moeten worden gehouden met grote aantallen gewonden. Met de ziekenhuizen is overeengekomen, dat in buitengewone omstandigheden de helft van de nu beschikbare 70.000 bedden in Nederland zal worden vrijgemaakt. De ziekenhuiscapaciteit zal dan nog verder worden uitgebreid met 20.000 bedden met alle toebehoren en bijbehorende medische hulpmiddelen. Voor de nabehandeling zal de opnamecapaciteit van 170 verpleeghuizen en dergelijke worden uitgebreid door het bijplaatsen van ca. 7000 bedden met toebehoren. Ten slotte is er nog het noodbeddenplan met 30.000 bedden voor het opnemen van oorlogsslachtoffers voor wie opname en behandeling in ziekenhuizen onder de heersende omstandigheden nog niet mogelijk is. Verder zijn er nog een aantal andere maatregelen getroffen op dit terrein: hospitalisatiestreekplannen, de inzet van geneeskundigen en chirurgen, de bestrijding van besmettelijke ziekten, de drinkwatervoorziening enzovoort.
Ten slotte: Er zijn nog veel meer civiele verdedigingsvoorbereidingen in ons land op te noemen.
Laten we goed beseffen dat al die voorbereidingen alleen worden getroffen om onze samenleving in stand te houden. Wij moeten ons voorbereiden op eventuele benarde tijden. Civiele Verdediging is ten slotte een zaak om het leven te behouden in tijden van rampspoed.
Uitgave: Afdeling Voorlichting ministerie van Binnenlandse Zaken, Mei 1979
Het einde van de B.B. (1986)
Na afronding van de reorganisatie van de rampenbestrijding en de invoering van de bijbehorende wetgeving, kon ook formeel een einde worden gemaakt aan de organisatie Bescherming Bevolking. Met de intrekkingswet B.B. kwam een einde aan een tijdperk van voorbereiding op (oorlogs)rampen.
Geschiedenis Korps Mobiele Colonnes (1992)
Van 1955 tot 1993 was er het Korps Mobiele Colonnes, als aanvulling op de Bescherming Bevolking in de kringen. Het KMC was oorspronkelijk een apart krijgsmachtonderdeel, maar werd later opgenomen in de Koninklijke Landmacht. Bij het 25-jarig bestaan in 1980 werd er een speciaal nummer van de Militaire Spectator aan het KMC gewijd. In 1992 werd besloten het KMC op te heffen, waarna de geschiedenis van het korps werd opgetekend. Deze geschiedschrijving vindt u hieronder.